abonneren

Online privacy: Hoe het internet centraliseert

Online privacy
We maken tegenwoordig allemaal gebruik van gecentraliseerde silo’s, zoals Facebook, WhatsApp, Gmail en Office 365. Deze bedrijven hebben ontzettend veel data van jou in handen. Maar dat was niet altijd zo. Nog niet zo heel lang geleden had je veel meer opties om je online privacy te behouden en diensten tóch te mogen gebruiken.

Je zou het bijna vergeten, maar er was een tijd – nog niet zo heel lang geleden – dat we geen dominante partijen op internet hadden, zoals Facebook, Google, Amazon en Microsoft. Vooral in het domein van sociale netwerken kunnen velen van ons het nog moeilijk anders voorstellen: Facebook is voor velen synoniem met sociaal netwerk. We denken er vaak niet meer bij na wat Facebook allemaal over ons weet.

In het begin was internet helemaal niet zo gecentraliseerd als nu. Denk maar aan e-mail. Vroeger had je een e-mailaccount bij een van de vele e-mailaanbieders of internetproviders. Veel technisch aangelegde mensen draaiden nog hun eigen mailserver. Kortom, er was niet één of een beperkte groep van partijen die de touwtjes in handen had.

Hetzelfde met andere diensten, waaronder de voorlopers van de huidige sociale netwerken. IRC (Internet Relay Chat), usenet (nieuwsgroepen), bbs’en (bulletin board systems), mailing lists enzovoort, het zijn allemaal systemen die bestaan uit een losse aaneenschakeling van wereldwijde servers van verschillende partijen die met elkaar kunnen communiceren. Ook hier was niet één partij de baas en kon in principe iedereen met voldoende technische kennis en wat budget zijn eigen server opzetten.

Gecentraliseerde sociale netwerken

Internet heeft lang op die manier gewerkt, tot er in de periode van 2002 tot 2010 diverse sociale netwerken ontstonden die allemaal snel aan populariteit wonnen: in 2002 LinkedIn, in 2004 Facebook, in 2005 YouTube, in 2006 Twitter, in 2009 WhatsApp, in 2010 Instagram. Maar deze nieuwe lichting van sociale netwerken had een totaal andere aanpak. Terwijl de oudere systemen een gedecentraliseerd netwerk met open protocol hadden, waardoor ieder zijn eigen server kon opzetten en er meerdere server- en client-implementaties bestonden, zijn de nieuwe netwerken volledig gecentraliseerd.

Wil je bijvoorbeeld deel uitmaken van Facebook, dan moet je aan het bedrijf prijsgeven wie je vrienden zijn en kan het bedrijf al je privéberichten zien, je foto’s enzovoort. Als je dat met de oude systemen wilde voorkomen, kon je nog je eigen server opzetten, die volledig compatibel was met de rest van het netwerk. De nieuwe sociale netwerken daarentegen zijn wat we ‘walled gardens’ noemen, gesloten systemen waar de makers met ijzeren hand regeren.

Online privacy

Centralisatie en de cloud

Niet alleen sociale netwerken raakten gecentraliseerd. Rond dezelfde periode begonnen ook de clouddiensten door te breken. Wie vroeger bestanden online wilde zetten, deed dat op zijn eigen website. Die stond op een server van een van de vele hostingbedrijven, op webruimte van je provider, op een vps (virtual private server) of zelfs op een server in je eigen huis. Maar anno 2018 hebben nog maar weinig mensen hun eigen website, laat staan dat ze nog hun eigen webserver draaien. Een website maak je tegenwoordig met WordPress.com en bestanden wissel je uit via Dropbox of WeTransfer.

Hetzelfde met muziek: wie heeft er nog muziekbestanden op zijn computer staan? We luisteren nu allemaal naar muziek op Spotify. Dat bedrijf kan op elk moment beslissen om specifieke liedjes uit zijn catalogus te halen, waardoor je ze niet meer kunt beluisteren. En als je bij Amazon e-books koopt voor je Kindle, ben je niet de eigenaar van die e-books, maar heb je een licentie daarop die op elk moment kan worden ingetrokken. Amazon kan op afstand zelfs boeken uit je Kindle verwijderen als het vindt dat die niet meer in zijn catalogus thuishoren, en dat heeft het bedrijf ook al gedaan.

IoT en slimme assistenten

Die centralisatie is zich echt in elk domein aan het doorzetten. Voor IoT-apparaten is het tegenwoordig al lang zoeken naar een apparaat dat niet via servers van de producent werkt. Een slimme camera? Alle beelden komen op servers van de producent terecht. Een slimme deurbel? Elke keer dat er iemand bij je aanbelt, wordt dat ergens in Amerika geregistreerd. De producenten kloppen zich allemaal op de borst dat hun producten ‘slim’ zijn, maar in feite zijn het oerdomme producten: de intelligentie zit niet in de producten zelf, maar in de servers van de producent. Gaat die failliet, dan blijf je in veel gevallen achter met een waardeloos product.

Hetzelfde geldt voor de slimme luidsprekers die tegenwoordig zo’n rage zijn. Een Google Home of Amazon Echo stuurt alles wat je ertegen zegt naar de producent. Zonder die servers is het apparaat niets waard. Kortom, in steeds meer domeinen hangen we van één grote partij af.

In een volgend artikel gaan we in op de risico's van deze ontwikkelingen.

Geschreven door: Koen Vervloesem op

Category: Nieuws, Internet

Tags: internet, Privacy

Laatste Vacatures