Koopwijzer geheugen

Inhoudsopgave

  1. Inleiding
  2. Conclusie
  3. Benchmarks
  4. Meer is beter
  5. Laptops
  6. SPD en XMP
  7. Handwerk
  8. Bandbreedte

Vrijwel alle moederborden herkennen tegenwoordig gelukkig automatisch wat voor soort modules je hebt geplaatst, waardoor je niet zelf ingewikkelde instellingen in het bios hoeft toe te passen. De truc is de zogenaamde spd- (serial presence detect) en xmp- (xtreme memory profiles) data op modules. 

SPD

Spd is tegenwoordig op elke module terug te vinden en is in feite een tabelletje met mogelijke instellingen waarop de module gevalideerd is. In de spd-gegevens staan echter alleen gegevens volgens de officiële ddr3-standaard. Ook bij snellere module, staan in de spd zodoende profielen voor maximaal ddr3-1600. Xmp is een aanvulling hierop en bevat ook onofficiële, maar door de geheugenfabrikant geteste instellingen. Bij een ddr3-2133-module staat in de xmp-waardes dus met welke verdere instellingen (voltage en dergelijke) de geheugenmodule daadwerkelijk op 1066 MHz (x2 = 2133 MHz) werkt.

In het bios moet je het over het algemeen wel handmatig aangeven dat je gebruik wilt maken van de xmp-gegevens van de modules. De rest van de configuratie gaat dan vanzelf. Xmp is overigens niet standaard bij modules. Wanneer je snelle exemplaren koopt, is het zeker iets om op te letten, of dat nu nuttig is of niet.

Snelheid lonend?

Om het nut van snellere geheugenmodules en meer geheugenkanalen te analyseren, voeren wij een aantal benchmarks uit op alle combinaties van enerzijds dual-, triple- en quadchannelgeheugen en anderzijds ddr3-1333, -1600, -1866, -2133 en -2400. Voor deze test maken we gebruik van een set van 16GB G.Skill ddr3-2400-geheugen en een Intel Core i7 3930K-processor op een Asus P7X79 Pro-moederbord. In een echte, synthetische geheugenbenchmark zijn de resultaten duidelijk verschillend. Waar dualchannel ddr3-1333 in de praktijk resulteert in een geheugendoorvoersnelheid van 18,28 GByte/s op het gekozen platform, zorgt het andere uiterste, quadchannel ddr3-2400, voor 58,27 GByte/s. Ruim drie keer zo snel, dat is niet mis!

In praktijk is het echter anders. Benchmarks die primair op processor- of videokaartrekenkracht zijn gericht, tonen weinig tot geen verschillen. De 3DMark11-score krijgen we maximaal 200 punten omhoog. Dat is leuk voor overklokkers die koste wat kost de hoogst mogelijke scores willen behalen, maar verder weinig boeiend. De Cinebench 11.5-processorbenchmark schaalt een klein beetje met sneller geheugen, maar (vrijwel) niet met extra geheugenkanalen. En ook bij een videocompressietest meten we weinig verschil: of je nu codeert met 56,8 of 58,2 beelden per seconde, het zal je vermoedelijk weinig uitmaken.

Dat het verschil zo klein is, is voornamelijk een compliment voor de processorontwerpers van Intel en AMD. Slimme algoritmes zorgen ervoor dat data die de processor in de toekomst nodig gaat hebben al vooraf naar het in de processor aanwezige cachegeheugen worden gekopieerd. Data die naar het geheugen moeten worden weggeschreven, worden eerst in datzelfde cachegeheugen geplaatst en daarna op z’n gemak naar de modules getransporteerd, terwijl de cpu alweer met andere zaken verder gaat. Door hun processoren superefficiënt te maken, hebben Intel en AMD ervoor gezorgd dat sneller geheugen tegenwoordig veel minder impact heeft.

Geschreven door: Jaap Veenstra op

Category: Koopwijzer, Geheugenmodules

Tags: Geheugen